Familiebedrijf vaker de grens over

De Nederlandse familiebedrijven halen voor meer dan de helft van de omzet uit het buitenland blijkt uit onderzoek naar de Nederlandse familiebedrijven. De zogenaamde internationaliseringsgraad is de afgelopen 10 jaar met 18,3% gestegen.

Clifton Finance heeft in samenwerking met het Landelijk Expertisecentrum Familiebedrijven van Hogeschool Windesheim een groot dataonderzoek uitgevoerd naar Nederlandse familieondernemingen tussen 2007 en 2017.

Onderzoekers van het Landelijk Expertisecentrum Familiebedrijven en Clifton Finance constateerden op basis van een uitgebreid dataonderzoek, dat 50,1 % van de omzet van de familiebedrijven uit het buitenland komt. Het onderzoek bevatte 228 bedrijven in Nederland met minimaal €40 miljoen omzet die ten minste in handen van een tweede generatie familielid zijn.

Uit het onderzoek komt naar voren dat in 10 jaar tijd, van 2007 tot en met 2017, het percentage van de in het buitenland behaalde omzet van de familieondernemingen groeide van 42,4% naar 50,1%.

In een interview in de Telegraaf van 16 juli 2019 noemt Maarten Vijverberg, partner bij Clifton Finance de uitkomsten niet opmerkelijk. „Dat landen met een kleine binnenlandse markt veel bedrijven voortbrengen die over de grens kijken, is een bekend fenomeen.” Hij verwijst naar Nederland, België en Zwitserland, die allen meer dan 90% van hun handel als internationaal kunnen bestempelen volgens de Swiss Economic Institute Globaliseringsindex.

Vijverberg ziet een mogelijke verklaring voor de verdere internationalisering van het Nederlandse familiebedrijf ook in de aantrekkelijkere winstmarges over de grens. Familiebedrijven die internationaal actief zijn in het buitenland halen volgens zijn statistieken gemiddeld 2,96% winstmarge, versus 2,37% voor bedrijven die zich louter op de binnenlandse markt storten.

Hogere winstmarge maar zijn wel volatieler.

De familiebedrijven die internationaal opereren zijn winstgevender dan de nationaal opererende familiebedrijven. Daar tegenover staat wel een grotere volatiliteit van de winstmarges: de binnenlandse marges schommelden maximaal met 1,86%, de buitenlandse marges kenden een gemiddeld verschil van 2,05% tussen de hoogste en de laagste marges.

Windesheim onderzoeker Erik Veldhuizen licht dit verder toe: „De internationaal opererende familiebedrijven hebben eerder geprofiteerd van het herstel van de economie in de omringende landen. Het is pas de laatste drie jaar dat de groei van de in Nederland opererende familiebedrijven groter is dan de internationale familiebedrijven. Maar per saldo is de groei van de internationaal opererende familiebedrijven sterker.

Hoe groter, hoe internationaler

Uit het onderzoek komt naar voren dat met name de grotere familiebedrijven zich internationaler oriënteren. Bedrijven die zich op het buitenland richten hebben hun omzet tussen 2007 en 2017 zien groeien van gemiddeld circa €300 miljoen naar €430 miljoen het werknemersaantal steeg van ongeveer 1275 fte naar 1600 fte. De Nederlandse familiebedrijven die overwegend op de Nederlandse markt actief zijn, zagen de omzet groeien van €160 miljoen naar €250 miljoen, en het aantal fte van 500 naar 800.

Industrie en Bouwsector nader toegelicht

Een paar aanvullende opvallende bevindingen per sector zijn op te merken, zegt Vijverberg: „Als wij sectorbreed kijken en ook naar de omvang van de doelgroep die wij per sector hebben onderzocht kunnen wij stellen dat de familiebedrijven in de industrie het meest internationaal actief zijn. Zij hebben een stabiele ebitda marge over de afgelopen jaren van gemiddeld 6,3% laten zien en hebben een sterke solvabiliteit van 52% over de laatste 10 jaar.

De sector die traditioneel de minste internationalisering kent is de bouw. De 29 grote familiebedrijven in deze sector zijn voor 38% opgericht voor 1918 en in meer dan de helft van de gevallen worden ze geleid door een derde, vierde of vijfde generatie familielid. Zij hebben niet de stap naar het buitenland kunnen of willen maken ook omdat de bouwsector zich hiervoor minder leent. Dit terwijl de Internationaal opererende bouwbedrijven in de onderzoeksperiode wel een marge van gemiddeld 13% maakten, waar de op het binnenland georiënteerde familiebedrijven in de bouw bleven steken op 4%.

Groeiende internationalisering in de dienstverlening

In de dienstverlening zien wij de grootste groei van het aantal familiebedrijven. In deze sector is de grootste groep van de tweede generatie actief in het familiebedrijf namelijk 45%. In dienstverlenende sector groeide de internationale handel van 55% in 2007 tot 68% in 2017.

Artikel Telegraaf

2019-09-30T11:31:12+01:0018 juli, 2019|Blog|